Janviool, Nr 28, maart 1980

CARBOON

D'R LETSTE KOEMPEL DEET DE LAMP OET

KILLROY 21008

Met deze plaat besluit de groep Carboon de beschrijving van een stuk sociale geschiedenis: het leven van de Limburgse mijnwerkers en de gevolgen van de sluiting van de mijnen. De eerste plaat ('Witste nog, koempel...' Killroy 16919) verscheen enkele jaren geleden en werd een giganties sukses. Dat sukses zal het waarschijnlijk mogelijk gemaakt hebben dat aan het tweede deel nog meer zorg besteed is: de produktie is beter en er is een bijzonder mooi fotoboek met daarin ook de tek$ten in Limburgs dialekt en in Nederlands bijgevoegd.
Er is een vrij duidelijk verschil tussen de eerste en tweede kant van de plaat. De eerste kant is vooral een terugblik naar hoe het vroeger was, niet vrij van enige sentimentaliteit. De liedjes ademen de sfeer van 'en weet je dát nog, joh: '. En dan volgt een herinnering, soms grappig, maar vaak wrang: het gevaar van vallende kolen, de jongens in de mijn die van de bedrijfsleiding afkomen, de gastarbeiders uit heel Europa, de bovengronders - die minder risico's liepen, ook veel minder betaald kregen, maar evengoed nodig waren om de mijn in bedrijf te houden - en de mijnharmonie. Mij persoonlijk bevielen deze liedjes niet zo heel erg, vanwege de marsmelodieën in twee nummers en vanwege de geringe diepgang van de teksten. Niettemin kan ik mij erg goed voorstellen dat deze liedjes bij voormalige mijnwerkers en hun omgeving veel dierbare, maar ook verdrietige herinneringen oproepen en daardoor voor hen van grote betekenis zijn. Gezien de populariteit van harmonie en fanfare in Limburg zal men daar ook wel minder tillen aan de marsmelodieën. Kant twee is echter een stuk interessanter. Op één na alle nummers hier gaan over het leven van de ex-mijnwerkers in het Limburg van vandaag. In Ik ging morgen weer terug overheerst de sentimentaliteit en het anekdotiese nog enigszins. Toch blijft de tekst hier bepaald niet aan de oppervlakte, als verhaald wordt hoe de vrouw van de mijnwerker zich moest laten beledigen in winkels waar de vrouw van de beambte eerst werd geholpen, en hoe de mijnwerker nauwelijks iets kon betekenen voor zijn kinderen: kwam hij uit de dagdienst dan was hij te moe, kwam hij uit de nachtdienst dan zag hij ze helemaal niet. Maar de verteller zou ondanks alles 'morgen weer terug willen. Het tweede lied gaat over het verdrietige bestaan van de voormalige mijnwerkers die nu aangepast werk moeten doen, omdat ze ofwel afgekeurd zijn voor zwaar werk ofwel geen behoorlijke baan meer kunnen vinden: hoe ze dit als vernederend en deprimerend ervaren. Het scherpste lied is In het pluche van de Schouwburg Daar deelde Den Uyl namens de regering het besluit van de sluiting van de mijnen mee, en werden garanties gegeven voor overbruggingsregelingen en nieuwe werkgelegenheid. Hoe weinig daarvan terecht kwam vertelt dit lied, maar nog schrijnender wordt het verteld door de erbij afgedrukte foto: een demonstratie van ex-mijnwerkers voor hogere pensioenen met voorop een oude zieke man in een rolstoel met een bord: 'Alles gegeven, nu vergeten, f59 pensioen per maand'. Ook muzikaal is dit het beste nummer, goede zang en vooral in het refrein een goede klimaks in melodie en arrangement. Wat de muziek verder betreft: de meeste nummers zijn in een country-achtige stijl, waaraan vooral het gebruik van een steel-guitar bijdraagt. Twee nummers hebben een reggae-melodie, een nogal vervelende modegrill die hopelijk snel weer overgaat. Wie folkmuziek wenst te horen, wordt daarom in de muziek teleurgesteld, maar niet in de teksten. Ik denk echter dat de Limburgers voor wie deze plaat in de eerste plaats bedoeld is, meer boodschap hebben aan melodieŽn die hén vertrouwd in de oren klinken en dat is hier zeker het geval.
De beide platen van Carboon vormen samen een voortreffelijke dokumentaire.

JAN ERIK GRUNVELD

terug naar Carboon

Deze pagina is bijgewerkt op